Bij een kapitaalverzekering kan de verzekerde kiezen uit een spaar- of beleggingsverzekering. Bij een spaarverzekering is een minimale uitkering gegarandeerd (als gevolg van winstbijschrijving kan de uitkering hoger uitvallen). Bij een beleggingsverzekering wordt de premie belegd in één of meer beleggingsfondsen, waardoor de hoogte van de uitkering onzeker is.
Bij een spaarverzekering vergoedt de verzekeraar een vaste rente over de ingelegde premies. Op enkele uitzonderingen na is deze rente op dit moment 3%. De rente staat voor de hele looptijd van de verzekering vast. Naast de rente vergoedt de verzekeraar ook zogenoemde winst. De winst is niet vergelijkbaar met de bedrijfseconomische winst. De winst in de zin van een levensverzekering is, kort samengevat, afhankelijk van het volgende.
Bij de vaststelling van de premie van een levensverzekering gaat de verzekeraar uit van drie grondslagen:
De verzekeraar berekent aan de hand van deze grondslagen de premie. In de premie is geen onderdeel ‘winst’ opgenomen. De verzekeraar reserveert dus geen deel van de premie voor zichzelf. De verzekeraar behaalt zijn winst uit het gunstiger berekenen van de grondslagen. Als voorbeeld interest: De verzekeraar weet dat hij 4% rente kan ontvangen. Bij de berekening van de premie gaat de verzekeraar echter uit van 3%. 1% is dan de winst voor de verzekeraar. Ook bij de grondslagen sterfte en kosten wordt deze methodiek toegepast.
De verzekerde deelt mee in deze winst van de verzekeraar, waardoor het rendement uit kan komen op bijvoorbeeld 4 of 5%.
Bij een beleggingsverzekering worden de ingelegde premies belegd in beleggingsfondsen. De beleggingsfondsen waarin wordt belegd zijn naar keuze van de verzekeringnemer. Bij bepaalde beleggingsfondsen met een laag risico geeft de verzekeraar vaak een garantierendement van bijvoorbeeld 2,5%. Het spreekt voor zich dat beleggen bepaalde risico’s met zich meebrengt.
Het opgebouwde kapitaal van de kapitaalverzekering is belast in Box 3. De betaalde premies zijn niet aftrekbaar en de uitkering is niet belast. Wanneer de kapitaalverzekering wordt aangewend voor de aflossing van de eigenwoningschuld, kunnen andere regels gelden. Vóór 1 januari 2001 golden andere fiscale regels. Onder bepaalde voorwaarden was de premie fiscaal aftrekbaar en de uitkering niet belast.
Een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is een kapitaalverzekering die wordt aangewend voor de aflossing van de eigenwoningschuld. Wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, is zowel het opgebouwde kapitaal als de uitkering niet belast. De voorwaarden zijn:
De begunstigde zal de kapitaalsuitkering aanwenden ter aflossing van de eigenwoningschuld in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 van de verzekeringnemer, van diens echtgenoot of van degene met wie de verzekeringnemer duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voert.
Zolang aan de voorwaarden wordt voldaan blijft er sprake van een kapitaalverzekering eigen woning en valt de verzekering in Box 1. Zodra niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan, verhuist de verzekering naar Box 3.
De uitkering is niet belast zolang de uitkering beneden de vrijstelling blijft. De vrijstelling wordt jaarlijks geïndexeerd en geldt per persoon. In 2006 bedroeg de vrijstelling:
Wanneer de uitkering de vrijstelling overschrijdt dan wordt progressief belasting geheven over het rentecomponent. Hierbij wordt de volgende formule gebruikt: {uitkering - vrijstelling} / uitkering x (uitkering - betaalde premies) = belaste uitkering.
Het oude regime was van toepassing tot de invoering van de Brede Herwaardering op 1 januari 1992. Onder bepaalde voorwaarden kunnen de regels uit het oude regime nog van toepassing zijn voor verzekeringen, afgesloten voor 1992 (zie verderop bij overgangsrecht). Bij het oude regime gold de hoofdregel dat de rente die in de uitkering aanwezig is, is belast. (rente= uitkering minus betaalde premies). De premies waren fiscaal aftrekbaar. De uitkering was onbelast, wanneer aan de volgende voorwaarden werd voldaan:
Het was niet van belang of het om een uitkering bij leven of bij overlijden gaat.
De Wet brede herwaardering werd ingevoerd op 1 januari 1992. Voor kapitaalverzekeringen wijzigde de vrijstelling. Evenals bij het oude regime gebruikelijk was, waren de premies fiscaal aftrekbaar. Uitkeringen bij leven en overlijden werden niet langer gelijkwaardig gezien. De uitkering bij leven was vrijgesteld indien:
Voor kapitaalverzekeringen die zijn afgesloten vóór 14 september 1999 geldt een speciale regeling. De verzekeringnemer mag de verzekering naar keuze omzetten in een kapitaalverzekering eigen woning (de verzekering verhuist dan naar Box 1) of voortzetten in Box 3. Bij voortzetting in Box 3 wordt over het gespaarde gedeelte in beginsel vermogensrendementsheffing geheven. Er geldt een speciale vrijstelling van € 123.428 indien tenminste 20 jaar premie is betaald en indien de hoogste premie niet meer dan tien keer de laagste premie heeft bedragen. Het verzekerd kapitaal en de premie mogen na 14 september 2007 niet zijn verhoogd en de looptijd mag niet zijn verlengd.