Het belastingvoordeel wordt behaald doordat de werknemer brutoloon inlegt op zijn spaarloonrekening, zodat het belastbare inkomen lager wordt; de werknemer betaalt geen inkomstenbelasting over het gedeelte van het loon dat hij inlegt op de spaarloonrekening. Het geld staat vier jaar vast, daarna mag de werknemer het geld opnemen. Het saldo op het (geblokkeerde deel van) de spaarloonrekening telt niet mee voor de vermogensrendementsheffing. Wil de werknemer het geld eerder opnemen (deblokkeren) dan is dat onder voorwaarden mogelijk. Dat is bijvoorbeeld het geval als het geld gebruikt wordt voor de aankoop van een huis of voor de kosten van kinderopvang. Ook kan de Nederlandse overheid besluiten dat werknemers het saldo eerder op mogen nemen. Dat was bijvoorbeeld het geval in 2005, toen staatssecretaris Wijn in juli 2005 (vooruitlopend op goedkeuring door de Tweede en Eerste Kamer) goedkeurde dat het in 2001, 2002, 2003 en 2004 gespaarde saldo vanaf 1 september 2005 vrij opgenomen mocht worden.

Alleen werknemers kunnen gebruikmaken van spaarloon. De werkgever moet hier aan meewerken; heeft de werkgever geen spaarloonregeling voor zijn werknemers, dan kunnen de werknemers niet deelnemen aan het spaarloon. Als de werkgever wel een spaarloonregeling kent, dan moet deze openstaan voor minstens 75% van de werknemers. Of ook daadwerkelijk meer dan 75% van de werknemers meedoet, is niet van belang.

Een werknemer mag niet in hetzelfde jaar zowel bij het spaarloon en bij de levensloopregeling geld inleggen; tegelijk geld opnemen mag wel. Per jaar mag maar bij één werkgever gebruik gemaakt worden van de spaarloonregeling (wat voorheen niet zo was; toen kon per arbeidscontract eenmaal per jaar tot het maximumspaarbedrag gespaard worden). Het maximumspaarbedrag bedraagt in 2006 en 2007 € 613,-. Dit bedrag wordt niet jaarlijks aangepast aan de inflatie.