Bij het aangaan van de verzekering wordt een verzekerde som vastgesteld, die:
Bij een schade van enige omvang wordt vastgesteld of de verzekerde som wel in overeenstemming is met de waarde van het verzekerde object. Als het goed is, is de verzekerde som gelijk aan de werkelijke waarde. De verzekerde som kan echter ook hoger of lager zijn dan de werkelijke waarde. Ook kan het voorkomen dat hetzelfde object dubbel verzekerd is. Deze gevallen worden respectievelijk genoemd:
Bij opstalverzekeringen dient de herbouwwaarde verzekerd te worden. De herbouwwaarde komt overeen met de kosten die moeten worden gemaakt op een soortgelijk gebouw opnieuw te bouwen. Het verzekerd bedrag wordt jaarlijks aangepast (geïndexeerd) aan de hand van de gemiddelde stijging of daling van de bouwkosten, zoals jaarlijks door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt berekend.
In een aantal gevallen verleent de verzekeraar dekking boven de verzekerde som. Vaak is voor elke van de hierna genoemde dekkingen elk de hoogte van de vergoeding gemaximeerd op 10% van de verzekerde som.
Voor bereddingskosten bestaat vaak een ongelimiteerde dekking. Onder bereddingskosten worden kosten verstaan die worden gemaakt voor het voorkomen of verminderen van schade, indien een schade zich verwezenlijkt of dreigt te verwezenlijken.
Het is niet vereist dat de poging tot beredding succes heeft gehad. Wanneer het blussen in het hierboven genoemde voorbeeld geen succes had en de woning brandt helemaal af, dan moet de verzekeraar alsnog de kosten voor de handblusser vergoeden.
De belanghebbende is zelfs wettelijk verplicht (art. 7:957 lid 1 BW) binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden.
Na een schade zal een verzekeraar doorgaans een expert inschakelen om de schade vast te stellen. De kosten voor de expert zijn boven de verzekerde som gedekt.
Na een schade kunnen opruimingskosten onstaan.
Kosten voor noodvoorzieningen worden vergoed. Een noodvoorziening is bijvoorbeeld een tijdelijke afsluiting als een ruit is ingegooid en er niet direct een nieuwe ruit kan worden geplaatst.
Na een schade aan een al dan niet geheel verhuurd pand kan huurderving ontstaan. Het is immers niet ondenkbaar dat het gebouw, al dan niet tijdelijk, niet meer verhuurd kan worden. De misgelopen huurinkomsten worden vaak, met een maximum van 10% van de verzekerde som, door de verzekeraar vergoed.
De eigenaar van het gebouw is degene die voor verzekering zorg dient te dragen. Een opstalverzekering is wettelijk gezien geen verplichte verzekering. Wanneer er echter een hypotheek is verstrekt, zal de bank een opstalverzekering verplicht stellen.
Bij een huurwoning is de verhuurder degene die een verzekering inboedelverzekering moet afsluiten. Alleen bij gestoffeerde en gemeubileerde woningen is het gebruikelijk dat de verhuurder ook een inboedelverzekering afsluit. zorgdraagt.
Het kan voorkomen dat de huurder zelf verbeteringen heeft aangebracht, zoals het plaatsen van een nieuwe keuken. Bij bedrijfsgebouwen is het vrij normaal dat de huurder zelf verbouwt. In dergelijke gevallen kan de huurder een huurdersbelangverzekering (ook wel verbouwingskostenverzekering genoemd) afsluiten. Dit is een opstalverzekering die de door de huurder toegevoegde aanpassingen verzekert.
In sommige gevallen wordt bepaald dat de huurder voor een glasverzekering moet zorgen. Particuliere huurders kunnen dit meeverzekeren op de inboedelverzekering. Bedrijfsmatige huurders kunnen een glasverzekering afsluiten (deze mogelijkheid bestaat soms ook voor particulieren).
Bij een Vereniging van Eigenaren is het gebruikelijk dat de vereniging het hele gebouw verzekert. Het verzekeren van het appartement zelf door de eigenaar is daardoor niet nodig. Het kan voorkomen dat de Vereniging van Eigenaren niet actief is (dit wordt een slapende Vereniging van Eigenaren genoemd). Vooral bij kleinschalige oudere complexen komt dit voor. Vaak is er dan geen opstalverzekering afgesloten, waardoor de eigenaar zelf voor een verzekering zorg moet dragen.