- Home
- Verzekeringen
- Zorgverzekering
Zorgverzekering
- Door Redactie geldoverzicht.com
- Geplaatst 09/10/2007
- Verzekeringen
- nvt
Geschiedenis zorgverzekering
De geschiedenis van het oude Nederlandse zorgstelsel gaat terug tot 1874. Timmerlieden uit die tijd waren aangesloten bij het door dokters gerunde fonds 'AZA', en verzochten in 1874 om de contributiegelden die ze aan AZA betaalden te steken in de bouw van goedkopere arbeidswoningen.
De hooghartige doktoren uit die tijd waren niet gediend van dit verzoek en gaven als antwoord 'dat de werklieden zich wat meer op hun werk, en wat minder op dagdieverij moesten toeleggen'. Dit gaf de doorslag tot de oprichting van Algemeen Onderling Ziekenfonds Door en Voor Werklieden. De Amsterdamse timmerlieden zetten zo de aanzet tot de oprichting van talloze fondsen in Nederland, waarmee de arbeidsbeweging het lot van de 'verworpenen der aarde' wil verbeteren. Deze onderlinge verzekeringen van arbeiders en vakbonden vormen een gezichtsbepalend deel van het ziekenfondswezen.
Hier ontstond de ziekenfondsverzekering voor 'minder bedeelden'.
Voor de oprichting van het bovengenoemde ziekenfonds waren er al andere ziekenfondsen. Het eerste initiatief komt uit dezelfde sector die nu weer het heft in handen neemt: de commerciële verzekeraars. De oude ambachtsgilden hebben hun ziekenkassen ('gildebussen'), maar de eerste echte ziekenfondsen worden al opgericht omstreeks 1780. Met deze fondsen richten verzekeringsmaatschappijen en particulieren zich op mensen die onder de belastinggrens vallen en die bij ziekte een beroep moeten doen op stedelijke of kerkelijke armenfondsen.
De medici waren niet altijd gelukkig met het beleid van de verzekeraars. Artsen en apothekers richtten daarom in 1846 het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam op, dat zorgt voor een vrije artsenkeuze, betere honoraria en een inkomensgrens om voor de artsen de ziekenfonds- van de particuliere praktijk te scheiden.
Vanaf 1900 richtten enkele werkgevers een eigen ziekenfonds voor het personeel op. De Katholieke kerk start een tegenoffensief. Uitgangspunt van het tegenoffensief is dat iemand die zich verzekert niet meer vertrouwt op de voorzienigheid van de Heere.
Vanaf 1905 begint de regering zich met de ziekenfondsen te bemoeien. Een eerste initiatief van het kabinet-Kuyper in 1905 sneuvelt als gevolg van de vele belangen. De (later Koninklijke) Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (K)NMG komt met eigen regelingen, zorgpakketten en contracten, waarmee de arme kant van Nederland zo goed en zo kwaad als het kan van basiszorg wordt voorzien.
Ziekenhuisopname zat toen nog niet in het pakket. Als iemand werd opgenomen, moest hij een beroep doen op de Armenwet. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was circa tweederde van de Nederlanders verzekerd.
Niet een Nederlands kabinet maar de Duitse bezetter heeft uiteindelijk een algemeen en verplicht ziekenfonds ingevoerd. In 1941 nemen zij het ziekenfondsenbesluit, waardoor alle werknemers onder een bepaalde loongrens verplicht lid worden. Het ziekenfonds werd gebaseerd op de Duitse krankenkasse. Het in 1941 ingevoerde systeem stond vanaf 1971 herhaaldelijk ter discussie. Het zou echter tot 2006 duren voordat het ziekenfonds zou verdwijnen.
Na de bevrijding worden de zorgpakketten sterk uitgebreid. In de beginjaren, tot 1960, zijn de ziekenfondsboden het gezicht van de ziekenfondsen. De boden legden de contributies op en zorgden voor uitbetaling aan de artsen.
Na 1960, met de komst van de giro en de afschaffing van het loonzakje, verdwijnen de boden. Met het verdwijnen van de boden verdwijnt ook de eigen identiteit van de fondsen. Langzamerhand fuseren de aanvankelijke tweehonderd kleine ziekenfondsen tot enkele tientallen aan het begin van de eeuw.
In 1974 lanceerde staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid de gedachte van een volksverzekering tegen ziektekosten voor de hele Nederlandse bevolking. Begin jaren '90 mislukte een poging van staatssecretaris Simons een basisverzekering in te voeren. Minister Borst blies het plan voor een basisverzekering in 2001 nieuw leven in met haar nota Vraag aan bod. Voortbouwend op de plannen van zijn voorgangers diende minister Hoogervorst in 2004 een volledig uitgewerkt wetsvoorstel Zorgverzekeringswet bij de Tweede Kamer in. Hij verdedigde dit wetsvoorstel met succes in het parlement. De nieuwe wet kon op 1 januari 2006 in werking treden.
De hooghartige doktoren uit die tijd waren niet gediend van dit verzoek en gaven als antwoord 'dat de werklieden zich wat meer op hun werk, en wat minder op dagdieverij moesten toeleggen'. Dit gaf de doorslag tot de oprichting van Algemeen Onderling Ziekenfonds Door en Voor Werklieden. De Amsterdamse timmerlieden zetten zo de aanzet tot de oprichting van talloze fondsen in Nederland, waarmee de arbeidsbeweging het lot van de 'verworpenen der aarde' wil verbeteren. Deze onderlinge verzekeringen van arbeiders en vakbonden vormen een gezichtsbepalend deel van het ziekenfondswezen.
Hier ontstond de ziekenfondsverzekering voor 'minder bedeelden'.
Voor de oprichting van het bovengenoemde ziekenfonds waren er al andere ziekenfondsen. Het eerste initiatief komt uit dezelfde sector die nu weer het heft in handen neemt: de commerciële verzekeraars. De oude ambachtsgilden hebben hun ziekenkassen ('gildebussen'), maar de eerste echte ziekenfondsen worden al opgericht omstreeks 1780. Met deze fondsen richten verzekeringsmaatschappijen en particulieren zich op mensen die onder de belastinggrens vallen en die bij ziekte een beroep moeten doen op stedelijke of kerkelijke armenfondsen.
De medici waren niet altijd gelukkig met het beleid van de verzekeraars. Artsen en apothekers richtten daarom in 1846 het Algemeen Ziekenfonds Amsterdam op, dat zorgt voor een vrije artsenkeuze, betere honoraria en een inkomensgrens om voor de artsen de ziekenfonds- van de particuliere praktijk te scheiden.
Vanaf 1900 richtten enkele werkgevers een eigen ziekenfonds voor het personeel op. De Katholieke kerk start een tegenoffensief. Uitgangspunt van het tegenoffensief is dat iemand die zich verzekert niet meer vertrouwt op de voorzienigheid van de Heere.
Vanaf 1905 begint de regering zich met de ziekenfondsen te bemoeien. Een eerste initiatief van het kabinet-Kuyper in 1905 sneuvelt als gevolg van de vele belangen. De (later Koninklijke) Nederlandse Maatschappij voor Geneeskunde (K)NMG komt met eigen regelingen, zorgpakketten en contracten, waarmee de arme kant van Nederland zo goed en zo kwaad als het kan van basiszorg wordt voorzien.
Ziekenhuisopname zat toen nog niet in het pakket. Als iemand werd opgenomen, moest hij een beroep doen op de Armenwet. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog was circa tweederde van de Nederlanders verzekerd.
Niet een Nederlands kabinet maar de Duitse bezetter heeft uiteindelijk een algemeen en verplicht ziekenfonds ingevoerd. In 1941 nemen zij het ziekenfondsenbesluit, waardoor alle werknemers onder een bepaalde loongrens verplicht lid worden. Het ziekenfonds werd gebaseerd op de Duitse krankenkasse. Het in 1941 ingevoerde systeem stond vanaf 1971 herhaaldelijk ter discussie. Het zou echter tot 2006 duren voordat het ziekenfonds zou verdwijnen.
Na de bevrijding worden de zorgpakketten sterk uitgebreid. In de beginjaren, tot 1960, zijn de ziekenfondsboden het gezicht van de ziekenfondsen. De boden legden de contributies op en zorgden voor uitbetaling aan de artsen.
Na 1960, met de komst van de giro en de afschaffing van het loonzakje, verdwijnen de boden. Met het verdwijnen van de boden verdwijnt ook de eigen identiteit van de fondsen. Langzamerhand fuseren de aanvankelijke tweehonderd kleine ziekenfondsen tot enkele tientallen aan het begin van de eeuw.
In 1974 lanceerde staatssecretaris Hendriks van Volksgezondheid de gedachte van een volksverzekering tegen ziektekosten voor de hele Nederlandse bevolking. Begin jaren '90 mislukte een poging van staatssecretaris Simons een basisverzekering in te voeren. Minister Borst blies het plan voor een basisverzekering in 2001 nieuw leven in met haar nota Vraag aan bod. Voortbouwend op de plannen van zijn voorgangers diende minister Hoogervorst in 2004 een volledig uitgewerkt wetsvoorstel Zorgverzekeringswet bij de Tweede Kamer in. Hij verdedigde dit wetsvoorstel met succes in het parlement. De nieuwe wet kon op 1 januari 2006 in werking treden.
